Selecteer een pagina

De eikenprocessierups  is de rups van een nachtvlinder die in België en ook in Nederland sinds 1990 steeds algemener voorkomt.

De soort is in het bezit van voor de mens gevaarlijke brandharen en vertoont herhaaldelijk getalsmatig pieken in aanwezigheid, waardoor ze als een plaaginsect wordt beschouwd.

De vlinder heet eikenprocessierupsvlinder. De larve is een bladvretende rups die zoals de naam al zegt vooral op eiken voorkomt. De eitjes van de rups komen uit in het voorjaar, zodra de eerste jonge eikenbladeren tevoorschijn komen. In Nederland en België ontwikkelt de rups zich af en toe in zulke grote aantallen dat van een plaag gesproken kan worden. De processierups zit vooral aan de zonnige zuidkant van de eikenstammen in eikenlanen. De nesten bestaan uit een dicht spinsel van vervellingshuidjes, met (brand)haren en uitwerpselen.

De brandharen van de rups vormen voor de mens een gevaar voor de gezondheid. De haren zijn 0,2 tot 0,3 millimeter lang. Elke rups heeft er honderdduizenden tot een miljoen van. Het zijn pijlvormige haren, die bij een bedreiging worden afgeschoten. De haren kunnen dan makkelijk de huid, de ogen en de luchtwegen binnendringen. De stoffen die van de haren afkomen veroorzaken een op allergie lijkende huiduitslag, zwellingen, rode ogen en jeuk. In de meeste gevallen verdwijnen de klachten vanzelf. Niet alle personen zijn even gevoelig voor de brandharen.

In zeldzame gevallen kunnen andere verschijnselen ontstaan, namelijk braken, duizeligheid en koorts.

De rupsen hoeven niet te worden aangeraakt om in contact te komen met de brandharen. De haartjes verspreiden zich met de wind en kunnen zo in contact komen met wandelaars of fietsers. De haren verschijnen vanaf ongeveer half mei tot eind juni op de rupsen. De haren blijven ook na het vertrek van de rupsen in de nesten, die aan de stammen en dikke takken hangen, aanwezig. Na jaren kunnen deze nesten bij aanraking nog overlast veroorzaken. Ook dieren, met name honden, kunnen last hebben van de brandharen van de rups.

 

De eitjes komen in april of mei uit, tegelijk met de eerste bladeren van de eik. De rupsen zijn dan oranjeachtig gekleurd. De kleur van de rupsen verandert in een grijsgrauw met lichtgekleurde zijden. Na de derde vervelling krijgen de rupsen de donkere brandharen op de rug. De rupsen zijn tot 3,5 cm lang.  De rupsen vervellen zes of zeven keer voordat ze een onopvallende nachtvlinder worden. Begin september zetten de vrouwtjesvlinders hun eitjes af in de toppen van eikenbomen.

 

Door vroegtijdige bestrijding kan een plaag worden voorkomen. Dit gebeurt door een bestrijdingsmiddel te spuiten in de toppen van eikenbomen waar de nesten van de rups zijn aangetroffen. De rupsen worden bestreden met een middel dat een bacterie bevat. Deze bacterie produceert in het darmstelsel van de rups eiwitkristallen. Bij de afbraak van deze kristallen in het darmkanaal komt een toxine vrij, dat de darmwand van de rups aantast. Een uur na opname van de bacterie stopt de rups met eten, doordat de kaakspieren verlammen. Geïnfecteerde rupsen bewegen zich langzaam, ze verkleuren en tenslotte verschrompelen ze. 2 tot 5 dagen na de bestrijding zijn de rupsen dood. De dode rupsen blijven met hun voorpoten aan de eikenbladeren hangen.

Een andere manier van bestrijding is het ter plaatse verbranden van de rupsen of het wegzuigen ervan, waarna ze begraven, verbrand of verdronken worden. Deze op zich omslachtige manieren worden vooral toegepast om geen andere vlindersoorten te treffen, wat met name bij gebruik van gif wel het geval is.  De natuurlijke vijanden als de sluipvlieg nemen een groot deel van de bestrijding voor hun rekening. Ook de grote poppenrover zou als biologisch bestrijdingsmiddel kunnen worden uitgezet.